gespeelde voorstellingen van het operettekoor

1990 tot 1999


Boccaccio (1999)

Muziek: Franz von Suppé

Tekst: F. Zell (pseudoniem van Camillo Walzel) en Richard Genée

Vertaling: Gerard Knoppers

 

In het libretto zijn een aantal verhalen uit de Decamerone van Boccaccio verwerkt. Beroemde komische scènes zijn de betoverde boom en de minnaar in het wijnvat. Uiteindelijk krijgt Boccaccio de hand van Fiametta.



De Gondoliers (1998)

Muziek: Sir Arthur Sullivan

Tekst: William S. Gilbert

Vertaling: Joop Fransen

 

De kroonprins van Baratarië is als zuigeling ontvoerd en ondergebracht bij een Venetiaanse gondelier, die al een zoontje van dezelfde leeftijd had. Inmiddels zijn de knapen volwassen en getrouwd. Nu komt ene Don Alhambra met de mededeling dat een van de jongemannen koning van Baratarië is. Omdat niet duidelijk is wie van de twee de koning is, besluit men ze voorlopig beiden op de troon te zetten, totdat de oude voedster uitsluitsel zal komen geven. Een verdere complicatie treedt op als blijkt dat de kroonprins als baby al is uitgehuwelijkt aan Casilda, de dochter van de hertog van Plaza-Toro. Wat nu? Een van de twee jongemannen is gewoon gondelier en de ander is koning en bigamist. Na tal van komische verwikkelingen volgt een verrassende ontknoping, waarmee iedereen tevreden is.



La Vie Parisienne (1997)

Muziek: Jacques Offenbach

Tekst: Henri Meilhac en Ludovic Halévy

Vertaling: Joop Fransen

 

Een Zweedse baron en zijn jonge echtgenote bezoeken Parijs. Zij vallen in handen van een Parijse dandy, Raoul de Gardefeu, die zich voordoet als gids. Zijn maîtresse, Métella, heeft hem namelijk bedrogen en hij besluit nu zijn geluk bij de dames van adel te beproeven. De barones vindt hij zeer aantrekkelijk. Hij neemt het Zweedse paar mee naar zijn huis en maakt ze wijs dat dat een hotel is. 

In de volgende bedrijven worden allerlei soupers en feestjes voor de baron georganiseerd; intussen tracht Gardefeu de Zweedse schone te veroveren. Dit plan mislukt echter jammerlijk. Na allerlei avonturen en dolle verkleedpartijen eindigt het stuk met een wild feest in een restaurant à la mode, waar zelfs messen worden getrokken. Maar er vloeit geen bloed. Het enige wat er ten slotte vloeit (rijkelijk), is de champagne.



Eine Nacht in Venedig (1996)

Muziek: Johann Strauss Jr.

Tekst: F. Zell (Camillo Walzel) en Richard Gené

Vertaling: Joop Fransen

 

De jonge hertog van Urbino komt elk jaar met carnaval naar Venetië. De oude senator Delacqua wil zijn mooie vrouw Barbara behoeden voor de verleidingskunst van de hertog en stuurt haar daarom naar een klooster in Murano. Barbara heeft daar geen zin in, want zij is inmiddels verliefd op een knappe marineofficier. Zij weet haar zoogzuster Annina over te halen voor haar in de plaats naar Murano te gaan. De hertog heeft echter gehoord van Delacqua’s voorzorg. Hij geeft zijn barbier en factotum Caramello (die verliefd is op Annina) opdracht om Barbara te ontvoeren. Zo gaan twee intrigues door elkaar lopen: Caramello brengt de hertog een dame op een presenteerblaadje: niet Barbara, maar (zonder het in de gaten te hebben) zijn eigen Annina. Inmiddels heeft de oude senator vernomen dat de hertog een mooi baantje zal vergeven aan diegene die zijn gunst zal weten te verwerven. Daarom komt Delacqua de hertog alsnog zijn echtgenote voorstellen; maar ook deze dame is niet de echte Barbara, maar Ciboletta, de keukenmeid. Deze Ciboletta heeft ook een vriend, de macaronikok Pappacoda. In de loop van het verhaal proberen de twee jaloerse minnaars (Caramello en Pappacoda) tot elke prijs te voorkomen dat de hertog ook maar een ogenblik alleen is met een van de twee pseudo-Barbara’s, hetgeen tot veel komische verwikkelingen leidt, met een gunstige afloop voor de meeste personages.



La Grande-Duchesse de Gérolstein (1995)

Muziek: Jacques Offenbach

Tekst: Henri Meilhac en Ludovic Halévy

Vertaling: Joop Fransen

 

Het piepkleine groothertogdom Gerolstein wordt geregeerd door generaal Bumm en baron Pück. De groothertogin zelf was tot nu toe nog te jong om zich met staatszaken bezig te houden. Maar plotseling geeft zij de wens te kennen persoonlijk het leger te inspecteren. Bumm en Pück kunnen het haar niet uit het hoofd praten. Tijdens de inspectie wordt zij verliefd op Fritz, gewoon soldaat. Bij een zitting van de krijgsraad waagt Fritz het kritiek uit te oefenen op het krijgsplan van generaal Bumm. Baron Pück wijst erop dat Fritz als gewoon soldaat geen spreekrecht heeft. Hierop verheft de groothertogin soldaat Fritz in de adelstand en bevordert hem tot leger-aanvoerder. Fritz weet de oorlog te winnen en wordt met roem overladen. De groothertogin probeert nu zijn hart te winnen, tot groot ongenoegen van de officiële huwelijkskandidaat, prins Paul. De avances van de groothertogin blijven zonder gevolg, omdat Fritz al verloofd is met het boerinnetje Wanda. Gekwetst besluit de groothertogin zich aan te sluiten bij een door Paul, Pück en Bumm gesmede samenzwering die beoogt Fritz te vermoorden. Dan echter wordt de groothertogin opnieuw verliefd, dit keer op de knappe diplomaat Grog. Zij geeft opdracht Fritz niet te doden maar alleen te plagen. Dit gebeurt: zijn huwelijksnacht met Wanda wordt grondig vergald. Aan het slot wil de groothertogin zich binden aan Grog, maar die blijkt getrouwd te zijn en vader van vele kinderen. De groothertogin besluit dan maar met prins Paul te trouwen, want als je niet kunt krijgen waarvan je houdt, moet je maar houden van wat je krijgt. Fritz raakt al zijn rangen en titels weer kwijt, maar dat deert hem niet: als hij zijn Wanda maar heeft. En Bumm en Pück behouden de macht.



H.M.S. Pinafore (1994)

Muziek: Sir Arthur Sullivan

Tekst: William S. Gilbert

Vertaling: Gerard Knoppers

 

Het verhaal gaat (zoals in bijna alle werken van Gilbert & Sullivan) over standsverschil: Een arme matroos is verliefd op de dochter van de kapitein en de kapitein is verliefd op Doddeltje Dotterbloem, een parlevinkster. Aan het slot blijkt de matroos van adel en trouwt met de kapiteinsdochter, en de kapitein blijkt van gewone komaf en trouwt met de parlevinkster.



Der Zigeunerbaron (1993)

Muziek: Johann Strauss Jr.

Tekst: Ignaz Schnitzer

Vertaling: Joop Fransen

 

Een sympathieke snaak doet een aanzoek aan de dochter van een Hongaarse varkensfokker. Maar zij heeft een heimelijke verhouding met een ijdeltuit. Daarom zegt ze tegen de sympathieke jongeman, dat hij maar moet terugkomen als hij op zijn minst baron is. Niet lang daarna wordt onze held door een troep zigeuners uitgeroepen tot wojwode, wat een soort van baron is. Zo had de jongedame het echter niet bedoeld, want zij vindt zigeuners maar niks, dus een zigeunerbaron is ook niks. Daarop kiest de jonge held het armste meisje van het zigeunervolk als bruid. Het arme meisje blijkt echter een Turkse prinses te zijn. De held voelt zich haar dan niet meer waardig en neemt dienst in het leger. Alles komt weer goed in het derde bedrijf.



Orphée aux enfers (1992)

Muziek: Federigo Chueca

Tekst: Felipe Pérez y Gonzalez

Vertaling: Joop Fransen

 

Een Madrileense lanterfant komt op zijn stadswandelingen terecht in een soort van wachtkamer. Achter een deur bevindt zich de Stedenmaagd, in blijde verwachting. Aanwezig zijn ook de straten, stegen en pleinen van Madrid. Zij maken zich zorgen over de op handen zijnde geboorte: de Stedenmaagd moet bevallen van een nieuwe straat, een groots opgezette boulevard. De vrees bestaat dat hele buurten zullen worden opgeofferd voor een protserig project. Nu verschijnt de Caballero de Gracia, een van de voornaamste straten van Madrid. Dit zelfingenomen heerschap zou wel een huwelijk willen aangaan met de op handen zijnde boulevard. Een dokter komt echter melden dat de geboorte nog wel even op zich zal laten wachten. Het koor gaat af, maar de Caballero de Gracia wil nog wat meer van Madrid zien. De Madrileense lanterfant leidt hem vervolgens door de stad. Achtereenvolgens bezoekt het tweetal de buitenwijken, de havenbuurt, uitgaansgelegenheden zoals een dansplaats, de arena en een rolschaatsbaan. Allerlei types passeren de revue: een dienstmeid, drie dieven, twee rolschaatsers, matrozen, politieagenten en nog vele anderen. Ten slotte keren wij terug naar de kraamkamer van de Stedenmaagd. Plotseling is de nieuwe boulevard geboren. Dergelijke wonderen gebeuren alleen op bijzondere dagen zoals heden: de dertigste februari. Met een defilé op de muziek van het openingsnummer eindigt het spektakel.



L'île de Tulipatan (1992)

Muziek: Jacques Offenbach

Tekst: Henri Chivot en Alfred Duru

Vertaling: Joop Fransen

 

Dit is een van de gekste stukken van Jacques Offenbach. Op een ver eiland regeert een koning. De koning heeft een zoon, tenminste dat denkt hij. De prins en de dochter van de hofmaarschalk worden verliefd op elkaar. De koning heeft geen bezwaar tegen een huwelijk. Maar nu komen de moeilijkheden. De hofmaarschalk heeft de koning destijds niet verteld dat hij voor de zoveelste keer een dochter had gekregen; het kind werd als jongen opgevoed, maar het is dus een meisje. De hofmaarschalk is in alle staten, maar hij durft de koning de waarheid niet te vertellen. Intussen blijkt dat de vrouw van de hofmaarschalk, ene Théodorine, indertijd heeft besloten, zonder medeweten van haar man, haar zoontje op te voeden als meisje, om te voorkomen dat hij later onder dienst zou moeten. De dochter van de hofmaarschalk is dus een jongen. Als Théodorine verneemt dat haar kind met de prins wil trouwen is ze al even radeloos als haar echtgenoot. Een wirwar van misverstanden is het gevolg.



La fille du Tambour-Major (1991)

Muziek: Jacques Offenbach

Tekst: Henri Chivot en Alfred Duru

Vertaling: Joop Fransen

 

Het verhaal is vermakelijk, maar ook gecompliceerd. Een leerlinge van een kloosterschool, Stella genaamd, wordt verliefd op de jonge luitenant Robert. Haar vader, de hertog Della Volta, heeft haar hand echter beloofd aan een verknipte markies. Maar uiteindelijk blijkt Stella niet de dochter te zijn van Della Volta, maar van een Franse tamboer-majoor. Robert en Stella krijgen elkaar. Dit is de hoofd-intrige. Daarnaast zijn er tal van verwikkelingen rond de hertogin Della Volta, de marketentster Claudine, haar oom Clampas, de kleermaker Griolet, enz.



Ruddigore (1990)

Muziek: Sir Arthur Sullivan

Tekst: William S. Gilbert

Vertaling: Gerard Knoppers

 

De baronnen van Ruddigore moeten, omdat ze eeuwen geleden zijn vervloekt door een heks, elke dag een slechte daad verrichten. De huidige baron, Sir Ruthven, heeft zich aan de vloek onttrokken door zich - onder schuilnaam - als boer in een afgelegen dorp te vestigen. Nu moet zijn broer, Sir Despard, de dagelijkse misdaad plegen. Op de dag waarop Sir Ruthven wil trouwen met de dorpse schone Rose Maybud komt de broer, Sir Despard, de feestvreugde verstoren; hij maakt bekend dat niet hij zelf maar Sir Ruthven de ware baron van Ruddigore is. Nu wil Rose natuurlijk niet meer met hem trouwen. Ze kiest voor Sir Despard, maar deze, van de vloek bevrijd en nu dus een fatsoenlijk man, verbindt zich met een meisje dat hij eerder de bons heeft gegeven en die van verdriet waanzinnig is geworden: Mad Margaret. 

 

In het tweede bedrijf heeft de nieuwbakken baron het maar moeilijk met de criminaliteit. Zijn voorouders treden echter uit de schilderijlijsten en eisen dat hij zijn plicht vervult. Sir Ruthven kan er niet onderuit en beveelt zijn knecht Adam onmiddellijk een dame te ontvoeren. Adam ontvoert de eerste de beste dame: Hannah (een tante van Rose). Deze verweert zich echter zo dapper dat Sir Ruthven zijn overleden oom Roderic te hulp moet roepen. Deze herkent in Hannah zijn vroegere verloofde, komt tot de conclusie dat hij niet had hoeven sterven en trouwt alsnog met Hannah. Ook alle anderen krijgen elkaar, niet alleen de solisten maar ook alle koorleden.